Stamboom
Beeld
Onderwijs
tip een vriend

Historie algemeen (met tijdbalk)

Historie

Inleiding

Sinds 1 januari 1996 bestaat de gemeente 's-Hertogenbosch uit de stad 's-Hertogenbosch die rond 1190 stadsrechten verkreeg en een aantal daaromheen gelegen, oudere kerkdorpen, waarvan Rosmalen het grootste is. Al in de Gallo-Romeinse periode werd dit gebied bewoond door onder meer de Bataven die in Empel een tempel hadden gewijd aan hun favoriete godheid Hercules Magusanus. In dienst van de Romeinen verdedigden zij de grenzen van het Romeinse wereldrijk tegen de opdringende barbaarse stammen. Kort voor 1200 vestigden zich op de plaats waar nu de Markt ligt kooplieden, op de voet gevolgd door ambachtslieden zoals smeden, bakkers en wevers. Van hertog Hendrik I van Brabant (1190-1235) kreeg de nieuwe nederzetting een uitgebreid stadsrecht dat in rechtshistorisch opzicht zeer interessant is. De nieuwe stad groeide zo snel dat hij rond 1300 al zeker tienduizend inwoners telde. Bossche schippers voeren de Rijn op tot Keulen om daar wijn te halen, naar de Oostzee om er op haring te vissen en naar Luik om er kalk, natuursteen, wapens en geel koperen voorwerpen in te slaan. Het verzorgingsgebied van de stad strekte zich uit over vrijwel geheel oostelijk Noord-Brabant.

Bloei: van 1475-1525
Tussen 1475 en 1525 kende 's-Hertogenbosch het hoogtepunt van zijn bloei. In deze tijd kwam de Sint-Janskathedraal, uitgevoerd in Brabantse Gothiek, tot voltooiing. Voor de sociaal zwakkeren was er een fijnmazig vangnet van sociale voorzieningen, de zogenaamde Godshuizen. De stad was verdeeld in negen wijken of blokken met elk zijn eigen buurtkapel en zijn eigen wijkorganisatie. In deze tijd leefde ook de kunstschilder Jeroen Bosch (ca. 1450-1516), wiens werken nu overal ter wereld in musea te bewonderen zijn. Zijn beste schilderijen waren erg in trek bij de Habsburgers Philips de Schone, Karel V en Philips II. Een centrum van cultuur was ook de Illustere Lieve Vrouwebroederschap, vanaf 1485 gevestigd in het Zwanenbroedershuis aan de Hinthamerstraat. Deze nog steeds functionerende religieuze broederschap richtte grootse festijnen aan die werden opgeluisterd door zangers. 

Tussen Mars en Mercurius: van 1525-1795
Vanaf ca. 1525 wisselden perioden van economisch verval, stabiliteit en bloei elkaar af. De Nederlandse Opstand, die in 1566 uitbarstte met een gewelddadige Beeldenstorm, leidde tot een diepe crisis. In 1579 koos het stadsbestuur partij voor de koning van Spanje en daarmee voor het vernieuwde katholicisme. Om religieuze, politieke en economische redenen verlieten toen duizenden Bosschenaren hun vaderstad om er nooit meer terug te keren. Het platteland rond de stad, waar Bosschenaren veel boerderijen en land bezaten, werd totaal verwoest. De middeleeuwse stenen muren werden vervangen door aarden wallen en vooruitstekende bastions. Huursoldaten namen voor een groot deel de verdediging over van de stedelijke schuttersgilden. Omdat het niet moeilijk was de directe omgeving onder water te zetten, gold de vesting als onneembaar. In 1629 moest 's-Hertogenbosch zich echter na een beleg door stadhouder Frederik Hendrik overgeven aan de Staten-Generaal. Ten tijde van de Republiek (1629-1794) kende de stedelijke samenleving een rijk geschakeerd karakter. Het handelsverkeer bleef van groot belang, het garnizoen drukte een stempel op de samenleving en economisch gezien kon de stad zich goed handhaven. Hoewel de bevolking in meerderheid katholiek bleef, nam de religieuze diversiteit toe: naast een omvangrijke Nederduits-gereformeerde gemeente waren er een Waals-gereformeerde gemeente, een lutherse kerk en vanaf de late zeventiende eeuw ook een kleine joodse gemeenschap. 

Omhoog, vooruit: van 1795-1945
In 1810 bracht keizer Napoleon een bezoek aan de stad en bij die gelegenheid schonk hij de Sint-Janskathedraal terug aan de katholieken. De eeuw daarop zouden zij de kerk zowel uit- als inwendig verfraaien met onder meer uit Franse ateliers afkomstige glas-in-lood ramen en ter plaatse gemaakt beeldhouwwerk in neogothische stijl. In 1796 werd 's-Hertogenbosch de hoofdstad van de provincie Noord-Brabant. Nog meer dan voorheen werd 's-Hertogenbosch een centrum van bestuur, rechtspraak, onderwijs en uitgeverijen. De markthandel zorgde voor veel vertier. De jaarlijks terugkerende wateroverlast was een belangrijke oorzaak voor het achterblijven van de industriele ontwikkeling. Sociaal gezien waren de verschillen groot. Een omvangrijke volksklasse leefde onder zeer slechte omstandigheden. In 1882 kwam het tot de oprichting van de nog steeds bloeiende Oeteldonksche Club. Deze stelde zich ten doel een al eeuwen bestaand volksfeest, het carnaval, 'te veredelen'. Ondanks tegenwerking werd dat doel bereikt. Tegenwoordig is het carnaval nog steeds het volksfeest van het jaar. De ontmanteling van de vesting vanaf 1874 schiep voor het eerst sinds eeuwen de mogelijkheid tot succesvolle beteugeling van de wateroverlast en uitbreiding van de stad. Nieuwe wijken als Het Zand en De Muntel maakten het mogelijk de verkrotting een halt toe te roepen. De welgestelden namen ondertussen de wijk naar het bosrijke Vught waar een groot aantal landgoederen ontstond. 

Schaalvergroting: van 1945-heden
Na de Tweede Wereldoorlog werd de industrialisatie met kracht ter hand genomen. In 1960 waren de ambachtelijke bedrijven nagenoeg van het toneel verdwenen en was hiervoor grootschalige productie in de plaats gekomen. Voor het eerst sinds lange tijd kwam er een einde aan de grote structurele werkloosheid. Zelfbewust manifesteerde 's-Hertogenbosch zich op het toneel van de Brabantse economie. De voormalige gemeenten Bokhoven, Empel en Meerwijk, alsmede Engelen werden in 1971 met de gemeente `s-Hertogenbosch samengevoegd. Door de fusie met de gemeente Rosmalen werd de grens van de honderdduizend inwoners overschreden. Ondanks alle groei bleef het historische karakter van de binnenstad redelijk intact. Het gemeentebestuur wil de komende jaren de culturele centrumfunctie versterken en uitbouwen. Zo zullen de historische vestingwerken, waarvan nog veel over is, worden gerestaureerd.