Deze website gebruikt 'cookies' om u zo goed mogelijk van dienst te zijn. Gaat u hier mee akkoord? Ja Nee

vóór 1185 proloog

Archeologische vondsten
Uit het Midden-Paleolithicum (100.000-35.000 vóór Chr.) dateren de oudste bewijzen, dat er mensen rondzwerven op het grondgebied van het huidige 's-Hertogenbosch.
In Empel werden o.a. een retouchoir (hiermee wordt op een stuk steen geslagen om er een vuistbijl van te maken) en een zijschrabber van zwarte vuursteen gevonden.

De groepen jagers die van 10.000-8.000 rondzwerven worden de Tjongergroep genoemd. Van deze cultuur zijn op het Bossche grondgebied vondsten gedaan in Empel en in De Moerputten. Tussen 9.000 én 8.000 slaat de IJstijd weer in alle hevigheid toe. De Tjongergroep, jagers op dieren als oerrunderen, wisenten en herten, wordt opgevolgd door gespecialiseerde rendierjagers, de Ahrensburggroep. Uit deze periode stamt misschien een bewerkt stuk rendier-bot, gevonden in de Aa-wijk, hoewel het ook uit de voorgaande periode kan stammen, omdat toen het rendier, hoewel zeldzaam, ook voorkwam.
Deze gehele periode, 35.000-8.000 vóór Chr., wordt het Jong Paleolithicum / genoemd.

De IJstijd eindigt vrij plotseling. Door het smelten van enorme hoeveelheden landijs stijgt het zeespiegelniveau zo'n 60 meter. De verandering in klimaat is groot. Er komen enorme bossen met een grote diversiteit aan wild. In groepjes van zo'n 20 a 25 mensen trekken de jager-verzamelaars rond. Hoewel de vindplaatsen uit het Mesolithicum (8.000-4.500) in Noord-Brabant erg talrijk zijn, is er op het grondgebied van 's-Hertogenbosch weinig gevonden; o.a. twee schrabbertjes te Empel.

In het Neolithicum (4.500-1.800) vindt er een grote evolutie plaats, namelijk de overgang van de jacht op de veeteelt en de landbouw. Vondsten uit deze periode zijn gedaan in Empel, Orthen en nabij het huidige Willem Alexander-ziekenhuis.

Daar Nederland geen tin- of kopererts rijk is, is alle brons geïmporteerd. Alle bronstijdvondsten op het grondgebied van 's-Hertogenbosch zijn toevalstreffers. Niets wijst er op bewoning in de Bronstijd, 1.800-800 vóór Chr.

In tegenstelling tot vroegere perioden zijn vondsten uit de IJzertijd (± 800-50) overvloedig aanwezig. Bij het saneren van 'De Pijp' zijn aardewerkscherven gevonden, die misschien op bewoning duiden. Veel vondsten, meestal aardewerk, werden in het gebied tussen Orthen en Empel gedaan, terwijl er in Empel in de 17e en 18e eeuw een urnenveld ontdekt werd. Verder is aan de Vlijmenseweg (bij de linker Maasoeverweg) een vierkante put, gedeeltelijk gevlochten uit tenenhout en gedeeltelijk uit planken, gevonden; tezamen met veel aardewerkscherven.

De Romeinen, 50 vóór Chr., - 476 na Chr., treffen in deze streek verspreid wonende landbouwers aan, die hun huizen bij voorkeur op hogere zandlichamen
(donken of stroomruggen) bouwen.
Door opgravingen op de Markt is komen vast te staan dat er in de Romeinse tijd op deze plaats bewoning is. De belangrijkste vondst uit deze tijd is een groot dolium (voorraadvat) dat gevonden werd vóór De Moriaan, onder de huidige bestrating.
In de derde eeuw zijn de bewoners van deze nederzetting vertrokken. De begroeiing keert terug en een bos overwoekert de plaats waar eens een nederzetting was.
In de tweede helft van de twaalfde eeuw wordt dit bos gerooid. In het vierde kwart van deze eeuw vindt er weer permanente bewoning plaats: de stad 's-Hertogenbosch wordt gesticht.

Kerstening
De eerste evangeliepredikingen in dit deel van het huidige Brabant dringen zevende eeuw, zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden, naar ons door.
Vanuit het zuiden komt in de zevende eeuw Lambertus, bisschop van Maastricht.
Tegen het eind van dezelfde eeuw dringt ook de invloed van Sint-Willibrord hier door.
Als de missioneringperiode als afgesloten beschouwd mag worden, komt het grootste deel van het onderhavige gebied onder het bisdom Luik te behoren.

Brabant
Het gebied waarin het latere Brabant komt te liggen, behoort na de dood van Karel de Grote, bij de verdeling van het Frankische Rijk in 843 tot het noordelijk deel van het Middenrijk, dat de naam Lotharingen krijgt. Het hertogdom Lotharingen vervalt echter.

Op het eind van de tiende eeuw is Lambert l graaf van Leuven. Hij wordt voogd over de abdijen Nijvel en Gembloers. Bovendien komt hij in 1005 in het bezit van het graafschap Brussel en verovert hij in 1013 een groot deel van het graafschap Bunningrode. Het wordt het begin van Brabant.

In de tweede helft van de elfde eeuw brengt Gravin Adelheid, erfdochter van graaf Everhard, die het landgoed Orthen als een persoonlijk domein bezit, door haar huwelijk met graaf Hendrik II van Leuven dit gebied aan de graven van Leuven.
De graven van Leuven komen ook in het bezit van het graafschap Grez en in de twaalfde eeuw ook nog de graafschappen Aarschot, Geldenaken en Duras. Maar vooral het markgraafschap Antwerpen vormt in 1106 een belangrijke aanwinst. Vanaf dat jaar krijgt de graaf van Leuven van de Duitse keizer de titel van hertog van Brabant.

815-850
De abdij Lorsch (in het huidige Duitsland gelegen) komt in het bezit van goederen, gelegen o.a. in Empel, Orthen, Engelen, Rosmalen, Hedel en Driel.

969
Eraclus, bisschop van Luik, heeft de kerk van Empel herbouwd. Op 1 oktober is hij gewijd. De bisschop staat de tienden van Empel aan de kerk af.

1028
Op 3 februari 1028 bevestigt keizer Koenraad II de Sint-Paulusabdij te Utrecht in het bezit van de goederen, die haar geschonken zijn door de bisschoppen Ansfried en Adelbold. Tot deze bezittingen behoort de helft van de tol te Vught.

1050-1099
Hendrik II, graaf van Leuven van 1063 tot 1079, huwt Adelheid, dochter van graaf Everard, die het landgoed Orthen als een persoonlijk domein bezit. Zo komt dit gebied aan de graven van Leuven.

1076-1099
Gravin Adelheid schenkt het landgoed Orthen aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht en aan bisschop Koenraad voor haar zieleheil en dat van haar echtgenoot Hendrik. Zij ontvangt het als leen terug.

1114-1120
Aartsbisschop Frederik van Keulen geeft het allodiaal goed dat de abdij Brauweiler te Orthen bezit in leen aan Godfried l, hertog van Brabant.

1142
Paus Innocentius II neemt de abdij Crespin onder zijn bescherming. Ook bevestigt hij de abdij in haar bezittingen. Tot die bezittingen horen het domein Empel en het altaar van de kerk aldaar.

1146
Op 3 april bekrachtigt Rooms koning Koenraad III de schenkingen, die zijn voorgangers aan de abdij Crespin hebben gedaan. Daarbij hoort de kerk van Empel met haar toebehoren.

1147
Paus Eugenius III neemt op 13 mei het Sint-Janskapittel te Luik onder zijn bescherming. Daarbij bekrachtigt hij alle schenkingen die in het verleden aan dit kapittel zijn gedaan, waaronder de kerk van Engelen.

1168
Radulfus, de gekozen bisschop van Luik (die echter nog niet is gewijd), schenkt het altaar van Sint-Landelinus te Empel aan de abdij Crespin.

1169
Er is een geschil ontstaan tussen de abt van Crespin en Daniel, de voogd van de abdij, over financiële rechten die beiden in de kerk van Empel bezitten. In een rechterlijke zitting doet op 2 oktober van dat jaar Lidolfus uitspraak in dit financieel geschil: er wordt een regeling getroffen.

1179
Hendrik, de zoon van hertog Godfried III van Brabant, wil in het huwelijk treden met Mathilda van Boulogne. De vader van de bruidegom (de hertog van Brabant) sluit met de oom van de bruid (Filips, graaf van Vlaanderen) een overeenkomst. In deze overeenkomst wordt bepaald dat de hertog zich het bezit van Orthen voorbehoudt, ongeacht het feit of zijn zoon hem zal overleven of vóór hem zal overlijden. Het landgoed Orthen dient bij Brabant te blijven!

1175-1200
In het laatste kwart van de twaalfde eeuw vindt er permanente bewoning plaats aan de noordelijke zijde van de huidige Markt (eertijds een hoge stroomrug van de rivier de Aa; nu een gedempte Binnendiezetak), zo heeft archeologisch onderzoek uitgewezen. Het jaartal '1185' is vanuit dit standpunt acceptabel.