Economische en sociale geschiedenis
Het standaardwerk van A. H. van den Heuvel over de ambachtsgilden in middeleeuws ’s-Hertogenbosch (1946) gaat veelal uit van de reglementen van de Bossche gilden. De praktijk is door een gebrek aan archivalia moeilijker te achterhalen, niettemin kan uitgebreid onderzoek worden gedaan naar de invloed van diverse gilden - waar de administratie wel van bewaard is - op de economie van ’s-Hertogenbosch. Blondé behandelt in zijn ‘sociale structuren en economische dynamiek’ (1986) de eerste helft van de 16e eeuw. Vanzelfsprekend betrekt Blondé daar ook het belang van de ambachtsgilden voor de stedelijke economie bij.
De opvatting dat de ambachten moderne vormen van bedrijfsvoering en economie tegenhielden kan moeilijk worden volgehouden. Het economisch belang van de ambachtsgilden in de vroegmoderne tijd is nooit onderzocht, terwijl het aantal gilden in die periode groeide. De studies van Van den Eerenbeemt uit 1955 – ’s-Hertogenbosch in de Bataafse en Franse tijd (1955) – en ’s-Hertogenbosch op de drempel van de Nieuwe Tijd (1960) bevatten veel goeds, niettemin kan een frisse kijk op het economische leven veel nieuws op leveren. Het sociale aspect van de ambachtsgilden in de vroeg moderne tijd is thans onderwerp van een dissertatie.
‘s-Hertogenbosch was een belangrijke garnizoensstad. Soldaten beconcurreerden de Bossche ambachtsgilden, maar waren ook grote afnemers van consumptiegoederen. Niet alleen is er behoefte aan een studie die laat zien hoe de verhouding was tussen soldaat en burger/inwoner, ook welke invloed soldaten op de economie hadden. (Herbergbezoek, prostitutie, consumptie, soldaten als ambachtslieden) Kortom waren de soldaten een zegen voor de stad of zorgden zij slechts voor overlast.
Het lijkt een open deur, maar vrouwen speelden een grote rol in het sociale en economische leven. De bronnen waar vrouwen nadrukkelijk in worden genoemd lijken schaars. Toch wijzen bevolkingsgegevens en de notariële archieven op grote activiteit. Systematisch onderzoek zou onder meer kunnen uitwijzen dat vrouwen een niet onaanzienlijk deel van de koophandel beheersten. Vrouwen stonden zeer vaak in de winkel en weduwen van ambachtslieden waren om verschillende redenen aantrekkelijke huwelijkspartners.
Het archief van de firma B. A. Jansen, eerst winkelier in galanterieën, daarna bouwer van fietsen en sedert 1898 ook verkoper van auto’s en garagehouder, is uitzonderlijk rijk. Vanaf het begin van de oprichting (ca. 1865) bewaarde Jansen zijn correspondentie en boekhouding en allerhande notities. Niet alleen is de houding van kerk t.o. fietsen te destilleren (Jansen bouwde speciale fietsen voor pastoors, die overigens pas in de jaren dertig van de bisschop daarvan gebruik mochten maken) ook kan worden nagegaan wie er fietsen kocht en in welk dorp of stad. Jansen verkocht zijn fietsen zelfs in Odessa. Overal in het land bevonden zich zijn agenten en dealers en met hen correspondeerde hij geregeld. In 1898 haalde Jansen zijn eerste auto (een Dion Bouton) op in Parijs en vanaf dat jaar handelde hij ook in auto’s, alweer ver over de provinciegrenzen waar dierenartsen de boer op gingen in een vehikel van Jansen en jonkheren voor hun plezier langs grindpaden reden. Voor de geschiedenis van o.a. de automobilisering is onderzoek in het archief van de fa. B. A. Jansen van groot belang.
De toename van het verkeer betekende een geweldige omslag in het dagelijks leven. Het verkeer is vanzelfsprekende een motor voor het economisch leven, daarentegen vormt de auto een enorme belasting voor het milieu en de veiligheid. In de vorige eeuw werden tal van plannen gesmeed om het verkeer in rechte banen te loodsen. Alleen al de kunstwerken die in de afgelopen decennia werden aangelegd zijn een studie waard. Waterwegen waren echter eeuwenlang van centrale betekenis.
Overigens kenmerkt Den Bosch zich ook door scheepvaartverkeer. Plannen om de Zuidwillemsvaart om te leggen lijken gerealiseerd te worden. Al de (water)wegen die in de eeuwen die achter ons liggen zijn aangelegd door stad en dorp hebben invloed op werkgelegenheid, op scholing, dialect en verspreiding van ideeën gehad. Een belangrijke vraag is welke invloed de aanleg van een infrastructuur had op de handel, op de lokale samenleving en op de mentaliteit.
’s-Hertogenbosch was in de (vroeg)moderne tijd bekend om de doorvoerhandel. ‘Den Bosch, de poort voor haar Meierij, keek over de grenzen der Nederlandsche gewesten heen naar buitenlandsche steden en staten’ aldus Van Velthoven (Stad en Meierij van ’s-Hertogenbosch, 1935) Welke handelscontacten met het buitenland waren er en waaruit bestonden deze? Niet alleen het Bosch Protocol zal hiervoor onderzocht moeten, ook het notarieel archief waarin zich vanaf ca. 1600, talloze contracten van Bossche kooplieden met buitenlandse afnemers bevinden. Het opstel van L. Pirenne De Bossche handel op verre afstand voor de Tachtigjarige Oorlog (1962) is hiervoor een goede aanzet.
In de vijftiende eeuw kwam het eind van de Bossche lakennijverheid in zicht. Vanwege de messen en spelden werd Den Bosch daarna bekend. Gezien de verbreiding van deze producten – tot in Zuid Amerika – ligt het voor de hand te kijken naar de betrekkingen met ‘het buitenland’. Pirenne schreef een essay over de relaties met Antwerpen in de late Middeleeuwen en er is ook gepubliceerd over de Bossche handelspost op Skonen in de Oostzee.
Hoewel ’s-Hertogenbosch een van de hoofdsteden van het Hertogdom Brabant was, lijken de handelsrelaties maar ook de andere betrekkingen niet bijzonder groot. Initiatieven kwamen voort uit ’s-Hertogenbosch, maar voor de Brabantse steden lag de stad in de periferie.
Zowel op cultureel als op economisch niveau is er veel te onderzoeken. Kortom welke betekenis moeten wij aan de ‘titel’ Hoofdstad hechten?
Een stad waarvan in 1775 meer dan de helft van de inwoners niet in ’s-Hertogenbosch geboren was laat zien dat de mobiliteit erg groot was. In de vroegmoderne tijd stond men niet met open armen op vreemdelingen te wachten. Er was vaak sprake van xenofobie. Toch stroomden de vreemdelingen toe. Integratie en opname in de samenleving lukte vaak, maar waarom? Wat waren de voorwaarden tot dit succes? Op welke sport van de sociale ladder bevonden de ‘buitenlanders’ zich? In welke beroepsgroepen komen we mensen van buiten tegen. Wanneer was er sprake van een hartelijke ontvangst – bij vluchtelingen – en wanneer werden zij als een bedreiging ervaren? Gold dit ook voor ander groepen die zich sedertdien in de stad vestigden, zoals Italianen, Turken en Marokkanen?
De stad was een gemeenschap waar burgers (tot ca. 1800) en inwoners met elkaar (soms gedwongen) samenwerkten en –leefden. Niet alleen het verenigingsleven verdient nader onderzoek – over de negentiende eeuw zijn enkele scripties en deelstudies geschreven – ook de functie van de herbergen, koffiehuizen en sociëteiten verdient onderzoek. Voor deze onderwerpen – doch dit geldt ook voor vele andere sectoren - kan een beroep worden gedaan op de honderden boedelinventarissen die ontsloten en toegankelijk gemaakt zijn.
Een grondige kennis van de stadsfinanciën is van belang voor een gedegen economische geschiedenis van de stad. De bronnen daarvoor – een doorlopende reeks stadsrekeningen (na 1629 tevens kwitanties!!) en in mindere mate belastinggegevens – zijn in het stadsarchief aanwezig. Blondé richtte zich, o.m in zijn ‘sociale structuren en economische dynamiek’ (1986) op de eerste helft van de zestiende eeuw. Beatrix Jacobs schreef een opstel over de stedelijke accijnzen in de hertogelijke en staatse tijd. Historicus Jord Hanus schreef onlangs een licentiaatsverhandeling over lijfrenten die de stad in de late middeleeuwen uitgaf. Aan de ene kant een noodzakelijke bron van inkomsten voor de stad, maar menigmaal dreigde er door een torenhoge schuld aan de rentetrekkers ook een stedelijk bankroet. Het financiële beleid van de stad is voor wat betreft andere tijdvakken niet onderzocht.
Kappelhof verrichtte baanbrekend werk. Zijn visie op de belastingheffing in de Meierij ging in tegen de bestaande opvattingen als zou in het Generaliteitsland het Haagse belastingjuk ondraaglijk zwaar op de Brabantse schouders drukken. In zijn proefschrift komt den Bosch wel aan de orde, maar handelt voornamelijk over de Meierij. Het werk voor den Bosch is vrijwel onontgonnen. Hoe zagen de belastingplichtigen er uit, waarom waren anderen vrijgesteld. Hoe werd deze scheiding ervaren? Voor en door wie werd belasting geheven. Welke belastingen en in welke tijden drukten deze zwaar op de bevolking; is er iets te zeggen van de vermogensstructuren en het bezit. Kortom allerlei vragen dringen zich op waar nog geen antwoord op is. Wanneer de Meierij daar bij wordt betrokken, zijn opnieuw de criminele processtukken van belang, waartussen zich meerdere dossiers bevinden over ongeregeldheden bij het heffen van tienden.
B.A. Jansen was gefascineerd door innovatie en de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van techniek. Hoe andere detailhandelaren daarover dachten is niet bekend. Er is geen onderzoek gedaan naar winkels en winkeliers van ’s-Hertogenbosch en de dorpen. Een uitzondering vormt de studie van Frans Jansen naar het Kledingbedrijf A. F. Jansen uit 1991. De industriële ontwikkeling is ten dele bestudeerd. Studies naar afzonderlijke industriële ondernemingen – Heineken, De Gruyter, Grasso en branches als de sigarenfabrieken waar veel Bosschenaren werkten – zijn er, met uitzondering van publicaties t.g.v. een jubileum – nauwelijks.
’s-Hertogenbosch was een belangrijke afzetmarkt voor producten van het ‘achterland’. Boeren kwamen naar de Bossche markt maar sloten voor de Bossche schepenen ook contracten af. Het rechterlijk archief (het Bosch Protocol en registers betreffende civiele en vrijwillige rechtspraak) bevatten talloze overeenkomsten en andere akten waaruit blijkt dat stad en platteland van elkaar afhankelijk waren.
Ook het notarieel archief bestaat voor een niet onaanzienlijk deel uit akten die de relatie stedeling en plattelander onderstrepen. Een studie naar de investeringen in land en landbouw door Bosschenaren is eveneens welkom evenals een onderzoek naar de gevolgen die de agrarische crisis voor de stad en dorpen had. Tot voor enkele jaren werd iedere week veemarkt gehouden in de Brabanthallen. De Bossche veemarkt groeide in de loop der jaren uit tot de grootste veemarkt. Het grote belang van de Bossche veemarkt voor de stad en het achterland is nooit beloond met een studie die dit feit onderstreept of juist betwijfelt.
De twintigste eeuw wordt ook gekenmerkt door de verdwijning van de middenstand uit zowel ’s-Hertogenbosch als de omringende dorpen. Niet alleen had dit economische gevolgen, ook de sociale factor speelde daarbij een niet onaanzienlijke rol. Individualisering en opgaan in de anonimiteit kenmerken de nieuwbouwwijken. Vanaf de jaren zestig trokken bewoners van de oude binnenstadswijken uit het centrum weg, naar de nieuwe wijken. Hun leven veranderde ingrijpend. Eigentijdse rapporten beschrijven wel het leven van de Bosschenaar in de achterstandswijken aan de rand van de binnenstad. Hoe het hen is vergaan is niet bekend. De betekenis van het verenigingsleven als samenbindend element zou hieraan gekoppeld kunnen worden. De geschiedschrijving van de Muntelwijk en haar bewoners – inmiddels verschenen twee delen – verdient voor andere wijken navolging.
Kenmerkend voor zowel middeleeuws ’s-Hertogenbosch als de stad in latere perioden was het leven van velen aan de rand van het bestaan. Het was een samenleving van weduwen en wezen. Tallozen leefden van de hand in de tand en wisten niet of de dag van morgen hen geluk of rampspoed zou brengen. Maar wat voor Den Bosch gold, ging ook voor andere steden op, al is in het verleden – als vrucht van de katholieke emancipatiestrijd – vaak de ‘uniciteit’ ’s-Hertogenbosch benadrukt. Het was uitbuiting wat de klok sloeg waardoor het merendeel van de Bossche bevolking in armoedige omstandigheden verkeerde. Als argument voor de aanhoudende armoede werd ook aangevoerd dat de onderstand in Den Bosch heel snel werd gegeven en dat daardoor de prikkel om met arbeid de kost te verdienen ontbrak. Nieuw onderzoek (Prak, Lis en Soly, Marco van Leeuwen e.a.) wees uit dat – evenals in andere steden – de mensen die onderstand ontvingen veelal als arbeidsreserve dienden. Een leven op het minimum werd in stand gehouden. Het onderzoek richtte zich op de achttiende eeuw. Blockmans en Prevenier lieten hun licht schijnen op de armenzorg tussen 1435 en 1535. Zicht op de zelfkant en de mensen aan de onderkant van de samenleving in andere perioden is minder onderzocht. Het is wachten op een omvattende studie over armoede en bedeling in zowel de Middeleeuwen als de periode 16-19e eeuw. Ook hier is het van belang dat er studies worden verricht naar lonen, prijzen en koopkracht. Bronnen voor de demografie in de vroegmoderne tijd en de 19e-20e zijn aanwezig.
Misdaad in de middeleeuwen is voor ’s-Hertogenbosch niet onderzocht. Gegevens uit het Brusselse rijksarchief berusten in het stadsarchief. Het Bossche schepenbankarchief bevat echter ook veel informatie. Alle criminele procesdossiers tussen ca. 1600 en 1800 zijn door Aart Vos toegankelijk gemaakt en digitaal beschikbaar onder de naam Dataschurk. Verdachten kwamen voor de Bossche schepenbank wegens een misdrijf in de stad of in de Meierij (Oostelijk Noord-Brabant) Voor onderzoek naar het dagelijks leven in de stad en op het platteland, leven aan zelfkant, armoede, bendevorming, vreemdelingen, jeugddelinquentie, vrouwen, prostitutie, eer, pieken en dalen in delinquentie, oorzaken misdaad, straffen, reden verbanning, rol schout en zijn helpers etc. etc. vormen de dossiers een bron van de eerste orde. Een hulpmiddel vormden de vonnisboeken die eveneens digitaal toegankelijk zijn. Voor de zgn. ‘petit histoire’ en genealogisch onderzoek worden de processtukken veelvuldig geraadpleegd. Om onverklaarbare redenen wordt door Nederlandse onderzoekers maar weinig gebruik gemaakt van deze toegankelijk gemaakte criminele processtukken, terwijl de bronnen aan de Antwerpse universiteit een aantal jaren voorwerp van onderzoek zijn geweest. De bundel onder de redactie van C. Lis en H. Soly over jongeren en criminaliteit (2001) is bijna uitsluitend een Zuid-Nederlandse aangelegenheid. De bijdrage van Rooijakkers over Noord-Brabant steunt op zijn dissertatie uit 1994 verwijst dus naar talloze naar de meibomen en bruiloftsbieren, maar biedt geen nieuws voor wie op zoek is naar criminele gedragingen van jongeren. Over prostitutie in de 19e eeuw verscheen in de jaren tachtig een doctoraalscriptie (Schmitz), de processtukken bieden ruime stof voor studies naar prostitutie in een garnizoensstad. Behalve dat er verslag van een Utrechtse doctoraalcollege is over vrouwenmishandeling is er nooit onderzoek geweest naar vrouwen als slachtoffer of dader. Ook hier geldt dat er stof te over is. In regionale tijdschriften is in de afgelopen jaren aandacht besteedt aan bendevorming in de Loonse en Drunense duinen. Een studie à la Florike Egmond is helaas niet van de grond getild. Ook het optreden van de overheid (justitieel apparaat; bestrijding criminaliteit) vergt onderzoek. De bronnen voor onderzoek naar marginaliteit en niet-toegestaan gedrag zijn de reeds genoemde criminele processtukken (1550-1800). Daarnaast bieden de rekesten om opsluiting – vnl. 18e eeuw – veel inzicht in de opvattingen over aanvaardbaar dan wel onaanvaardbaar gedrag. Deze rekesten bevinden zich in het rechterlijk archief, maar ook in het notarieel archief bevinden zich de rekesten tot in bewaring neming van mensen die overlast voor de familie en omgeving gaven. De slachtoffers, veelal dronkaards en verkwisters, verdwenen voor korte of lange tijd in particuliere verbeterhuizen, werkhuizen in de Zuidelijke Nederlanden of in het huidige Limburg of in katholieke enclaves (Megen). De dossiers, toegankelijk gemaakt, verschaffen onder meer inzicht in de mentaliteit, de rol van buren en vrouwen en in de opvattingen over aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag bij de elite en ‘de gewone man.’
Van veel vijandigheid in het dagelijks leven tussen gereformeerden en katholieken in de 17e en 18e eeuw blijkt – op enkele incidenten na - niet veel. Ook vonden er huwelijken plaats tussen de gelovigen van verschillende kussens. Cijfers zijn echter niet bekend (inmiddels is een project gestart o.l.v. Benjamin Kaplan, Univ.College London)) en dat geldt evenzeer voor katholieke dopen, althans voor de doop van katholieke kinderen buiten ’s-Hertogenbosch. Vele malen is beweerd dat katholieken naar de Luikse – en katholieke – enclave Bokhoven trokken, waar het ‘geestelijk klimaat’ zoveel beter was.
De samenleving in de vroegmoderne tijd is wel afgeschilderd als een samenleving van weduwen en wezen. Burgerwezen kwamen in het burgerweeshuis, dat voor deel gefinancierd werd door een organisatie die louter uit burgers bestond: de ambachtsgilden. Hoe het de Bossche wezen verging – hun beroepsperspectief, leefomstandigheden, opvoeding etc. – is niet bekend. Zowel het archief van het Gereformeerd Burgerweeshuis (vanouds in de stad) als het Rooms Weeshuis (sedert de tweede helft van de achttiende eeuw) bevat veel materiaal. Zowel uit de vroegmoderne tijd als uit de negentiende eeuw. Over ouderen in de Bossche samenleving is weinig bekend, behalve dat er in de late middeleeuwen ‘huisjes’ werden gesticht waarin om oude mannen en vrouwen hun laatste dagen konden slijten. Wie waren er oud en misschien al versleten. Wat was hun plaats in de samenleving, hoe kwamen zij aan de kost. Vormden zij een substantieel deel van de bedeelde Bosschenaren? Namen ze tot op hoge leeftijd deel aan het arbeidsproces en in welke beroepen waren zij werkzaam. Hoe zagen de ‘hofjes’ en ‘tehuizen’ er uit in de loop van de eeuwen. Zorgden kinderen voor hun ouders of is dit een (te) romantisch beeld?
Over de zorg voor de zieken zijn diverse publicaties (o.m. van A. Kappelhof als van R. Wolf ) verschenen. Het Grootziekengasthuis en het Psychiatrisch ziekenhuis Reinier van Arkel, beide instellingen kennen een lange geschiedenis, maar ontberen een gedegen geschiedschrijving, zowel wat de veelomvattende geschiedenis van de zorg als de geschiedenis van de instituten betreft. Aan archieven ontbreekt het niet. Daarnaast is er weinig bekend over het Kruiswerk en andere vormen van gezondheidszorg in de stad en dorpen. Ook de sociale zorg die de Negen Blokken eeuwenlang verleenden aan Bosschenaren dient te worden uitgediept. De uitgave van A. Kappelhof over de Blokken vormt daarvoor een goed uitgangspunt. Naar de voedselvoorziening en de beheersing van de voedselmarkt en voedselvoorraden - de relatie korenkopers, bakkers en stadsregering - vanaf de middeleeuwen is nooit onderzoek gedaan. Wat betekende ‘honger’ en tekort aan brood voor de stedeling? In de vroegmoderne tijd is een aantal malen sprake geweest van voedselrellen en agressie naar o.m. bakkers. De betekenis van ziekten en epidemieën als Pest (de ‘Heete Sieckte’) in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd of de Cholera in de 19e eeuw voor de stad en haar inwoners zijn ook niet onderzocht. Van den Eerenbeemt vestigde in een artikel wel de aandacht op een ziekte als de ‘Roode Loop’ die in de achttiende eeuw veel slachtoffers eiste. In nauw verband met gezondheidszorg staan onderwerpen als hygiëne, milieu en nutsvoorzieningen (drinkwatervoorziening, riolering en de verwerking van vuilnis). Wat was het beleid van de stedelijke overheid – sedert de ME - t.a.v. deze problematiek en ziekten als de pest en cholera? De lijn kunnen we doortrekken naar de twintigste eeuw waar de beleving en bewustwording van de natuur tot uiting komen in de aanleg van parken en beschermde natuurgebieden. Ook hier is sprake van zo goed als onontgonnen terrein.

