Politiek-bestuurlijke verhoudingen en veranderingen
Geld en afkomst bepaalden vaak iemands levensloop. Talenten die zich onder de minder bedeelden bevonden konden niet ontwikkeld worden, zodat de elite met geld – veel geld was ook een zekere garantie dat omkoping minder aan de orde was - de touwtjes in handen hadden en hielden. Een letterlijk goede naam was een garantie. Schuttelaars disserteerde op de Heren van de Raad een studie over de elite in de laat middeleeuws Den Bosch, voor de periode 1710-1740 is er een doctoraal scriptie (De Brouwer e.a. ‘De Heeren van de Leeden’, 1983) en Duyvendak betrekt in zijn studie over de elite van Noord Brabant in de 19e eeuw vanzelfsprekend ook ’s-Hertogenbosch.
In 1629 wisselde de macht. Mannen van buiten met veelal wel een Brabantse of ’s-Hertogenbossche achtergrond namen plaats op het groene pluche. Een prosopografische studie, inclusief vermogen, kennis, onderlinge verdeling van c.q. handel in de ambten, eer, carrière etc., naar de Bossche elite in de vroeg moderne tijd ontbreekt. Een onderzoek naar netwerken in de vroegmoderne tijd, maar zeker ook in de negentiende en twintigste eeuw zal tot meer inzicht leiden in de positie van ’s-Hertogenbosch in de Republiek en het Koninkrijk. Voor de twintigste eeuw is een analyse van de (gemeenteraads)verkiezingen welkom, evenals studies naar het politieke bedrijf van de verschillende politieke partijen.
De ‘grenscorrecties’ die plaatsvonden – Orthen, Bokhoven, Empel, Engelen en Rosmalen kwamen bij de grote stad – vonden niet altijd geruisloos plaats. Welke gevolgen hadden deze voor ’s-Hertogenbosch en de dorpen?
Na 1629 was de stad hoofdstad van een Generaliteitsland. De vraag is in hoeverre 's-Hertogenbosch afhankelijk was van Haagse beslissingen. Het is de moeite waard te onderzoeken of en in welke mate gesproken kan worden van 's-Hertogenbosch als een ‘stadsstaat’. Is een vergelijking mogelijk met landsteden als Groningen, Arnhem en Zwolle?
In het Haagse circuit werd veel gelobbyd. De meeste steden hadden hun agenten, zo ook Den Bosch. Onderzoek naar de werkwijze van de agenten en de middelen waarmee de Haagse heren overtuigd werden van het Bossche belang zal een nieuw licht werpen op de verhouding van 's-Hertogenbosch tot de Republiek.
Intrigerend zijn voorts de inspanningen van de Bossche stadsbestuurders (tot 1795 gereformeerd) om ’s-Hertogenbosch te verheffen boven het niveau van hoofdstad van een Generaliteitsland. Veelal wordt gefulmineerd tegen ‘die gereformeerden’ die het katholieke Den Bosch naar het achterste plan verwezen. Welk aandeel hadden de gereformeerde Bossche regenten daarin of spanden zij zich juist in om de stad te verheffen? Hoeveel rekesten werden aan Den Haag gericht en welke onderwerpen bestreken deze? Hoe lagen de verhoudingen tussen de Raad van Stae en de Staten Generaal als hen om Den Bosch ging?
Van niet te onderschatten belang was de invloed van de gouverneur die namens Den Haag de stad bestuurde. Was deze louter aanwezig als militair attaché of ‘stroman’ van de stadhouder? De macht van de gouverneur en diens relatie tot het stadsbestuur vergt nader onderzoek.
Centralisatie van de macht ging samen met bureaucratisering. In de 19e eeuw groeiden ook de taken van het gemeentelijk overheidsapparaat. Een paradox: bracht de democratisering de burger meer in een afhankelijkheidsrelatie?
Naast de politieke structuur van ’s-Hertogenbosch tussen 1794-1813, toen dan eindelijk ook de katholieken officieel mee mochten besturen, zou ook de verzuiling in het Bossche voorwerp van onderzoek kunnen zijn. In de jaren na de Eerste Wereldoorlog probeerden evenals elders in ’s-Hertogenbosch fascistische bewegingen grond onder de voeten te krijgen. De katholieke kerk en de RKSP waren bolwerken die daartegen ageerden. In hoeverre slaagde de kerk er in om katholieken van bewegingen als de NSB en Zwart Front weg te houden. Wie waren de ongehoorzamen aan de kerk en waaruit bestond in Den Bosch de aanhang van het fascisme?
De Tweede Wereldoorlog veroorzaakte een emotionele breuk, maar of de politieke verhoudingen na 1944/45 veranderden is de vraag. Was er sprake van politieke wederopbouw of bleef het bouwwerk zoals dit er al in de jaren dertig stond?
In de twintigste eeuw kwamen samenvoegingen van dorpen met ’s-Hertogenbosch tot stand. Een aspect van onderzoek is de wijze waarop deze samenvoegingen geschieden. Welke legitimatie werd daarvoor gegeven en in hoeverre is er rekening gehouden met de wensen van de bevolking. Paste de stedelijke cultuur bij de verschillende dorpsculturen etc. Is er verzet geweest en kristalliseerde zich dit in het ontstaan van lokale bewegingen of politieke partijen. Ook in de stad zelf is sprake geweest van politieke nieuwkomers. Waarmee hing de bloei en de neergang van lokale partijen als Knillis en Bosch Belang samen?

