Politiek/militaire geschiedenis
’s-Hertogenbosch garnizoenstad
Gudde heeft aan algemeen werk geschreven over ’s-Hertogenbosch als vesting- en garnizoensstad. De verschillende belegeringen van de stad tussen ca. 1450 en 1600 vergen echter nader onderzoek.
’s-Hertogenbosch verzette zich steeds tegen inname van garnizoen. Pirenne gaat hier in zijn monografie Tussen Atrecht en Utrecht (1955)op in.
Vooral buitenlandse soldaten stonden in een kwade reuk. Bovendien was oorlogvoeren en verdediging erg kostbaar. Hoe bevolking en politiek tegenover de eisen van de landsvrouwe respectievelijk landsheer stond is onvoldoende onderzocht.
De verhouding soldaten en ‘burgerij’ vergt een diepgaand onderzoek[1], zekere wanneer we bedenken dat in 1747 in de stad naast 12.000 burger-inwoners nog eens 10.000 soldaten aanwezig waren. Voordat midden 18e eeuw kazernes werden gebouwd en de meeste soldaten daar onderdak vonden, waren zij bij de Bossche burgerij ingekwartierd. Dat riep spanningen op, maar leidde ook tot vriendschappen en liefdesaffaire. De militair was producent (concurrent van de beroepsbevolking), consument en huwelijkspartner. De notariële protocollen bevatten talloze akten waarin soldaten een rol spelen. Wanneer we bedenken dat er veel soldatenvrouwen waren en soldatenkinderen die vaak alleen achterbleven, kunnen we bedenken dat deze zwaar drukten op de armenkassen. In het archief van de Kerkenraad en de Diaconie van de Hervormde Gemeente komen soldaten – bijv. stichting van een soldatenweeshuis – vooral in de zeventiende eeuw nadrukkelijk ter sprake.
Daarnaast zijn voor onderzoek naar huwelijken en kinderen van soldaten de DTB-registers de aangewezen bronnen.
[1] Peter de Cauwer (UvA) hoopt dit jaar te promoveren op een onderzoek naar de gevolgen van de belegering van 1629 voor de bevolking.

