Vrije tijd, sport, kunst en cultuur
Over het Oeteldonkse carnaval is veel gepubliceerd. Rooijakkers heeft in zijn Rituele repertoires oog voor de betekenis van feesten voor de mensen in de vroegmoderne tijd. Uit de Bossche stadsrekeningen, maar zeker ook uit de resoluties van de stadsregering en die van de kerkenraad van de gereformeerde kerk is een beeld te schetsen van de wijze waarop in de 17e en 18e eeuw feesten – kalenderfeesten, georganiseerde vieringen door de overheid, kermissen ed. - werden georganiseerd en gevierd. Over de rol van de kerk en de elite als beschavingsinstrument is veel te zeggen. Over muziekbeoefening in de zeventiende eeuw verscheen enkele jaren geleden in het NBHJb een artikel van Aart Vos en aan het orgel van de Sint Jan werden eveneens studies gewijd (Van der Harst en Vente). Het muziekleven in het Noord-Brabant van de negentiende eeuw werd – voor wat Den Bosch betreft – met de krant als bron (!) - door Zomerdijk bestudeerd. Voor de arbeider was muziek, maar ook het voor het plezier kweken van bloemen een middel om hen te verheffen. (J.J.M. Franssen, De Bossche arbeider in zijn werk- en leefmilieu in de tweede helft van de negentiende eeuw. 1976) Een welkome aanvulling was het gedenkboek van Jac. Luyckx (2003) over het 175 jarige Casino. Er is nog veel onontgonnen gebied, zowel wat de uitvoeringspraktijk (het concertleven) betreft als het zelf beoefenen van de muziek. De bestudering van de sportbeoefening in ’s-Hertogenbosch is nauwelijks ontdekt. Na een aarzelend begin in het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen de elite zich met wielrennen en roeien vermaakte, zette, vooral nadat de katholieke kerk met waardering over sportbeoefening ging spreken, de democratisering van de ontspanning door lichamelijke oefening door.
De organisatie van vrije tijd, sport en recreatie speelde een rol in beschavingsoffensieven. J.J.M. Franssen liet dit in zijn De Bossche arbeider in zijn werk- en leefmilieu in de tweede helft van de negentiende eeuw (1976) ook zien toen hij schreef over het kweken van planten door arbeiders. Vrijetijdsbesteding, verenigingsleven, sport en recreatie, thans onmisbaar onderdeel van het dagelijks leven, vereisen een gedegen studie.
Er is niet of nauwelijks studie verricht naar toneel en theater. Een uitzondering vormen de retoriekkamers in de late middeleeuwen. De bloei van het gezelschapsleven in de negentiende eeuw en de invloed van met name de katholieke kerk op toneel en theater en later op de vertoning van films kan voorwerp van studie zijn.
Broederschappen als schuttersgilde of kamers van rhetorica en ambachtsgilden vervulden een belangrijke rol in het socialisatieproces en de internalisatie van gewoonten en gedragingen die bij een stad hoorden. Ook vanuit dat oogpunt kunnen deze ‘corporaties’ die van groot gewicht waren in de late middeleeuwen ook omdat zij de stad representeerden bestudeerd worden.
Over Jeroen Bosch is veel geschreven, studies naar het werk en het leven van deze grootste kunstenaar die uit Den Bosch afkomstig is, worden steeds specialistischer. Het nog jonge Jeroen Boschcentrum stimuleert de bestudering van de verrassende kunstenaar. Het werk van een ander groot kunstenaar, de barokschilder Theodoor van Tulden, heeft enkele studies voortgebracht. Bestudering van het archief van het Sint Lucasgilde waarin zich een meestersboek 1550-1650 bevindt, heeft tot nu toe geen belangrijke studie opgeleverd. Op grond van een steekproef uit de boedelinventarissen die zich in de notariële protocollen bevinden schreef Veerle de Laet in 2004 een licentiaatsverhandeling. De honderden toegankelijk gemaakte boedelinventarissen zijn een ‘mêr à boir’ en worden tot nu toe weinig betrokken in onderzoeken. Het ‘huiselijk leven’ – van huisdier tot boekenkast – ligt als het ware voor het opscheppen.
Kees van den Oord promoveerde begin jaren tachtig op een onderzoek naar de boekenproductie in ’s-Hertogenbosch in de late middeleeuwen en begin jaren dertig van de zeventiende eeuw. De eerder vermelde historica K. Strengers-Oldekate gaf aanzetten tot bestudering van het leesgedrag van Bosschenaren en enkele jaren geleden zag een doctoraalscriptie over een negentiende-eeuws Bosch leesgezelschap het licht. De werkzaamheden en invloed van de drukkers die na de reductie actief waren verdienen nader onderzoek. De alfabetisering van de Bosschenaar is een mooi onderwerp met als uitgangspunt de opvatting dat katholieken het lezen minder beheersten dan gereformeerden. Dat ’s-Hertogenbosch in de negentiende eeuw een katholiek perscentrum was, weten wij dankzij enkele studies over in Den Bosch uitgegeven kranten. De presentatie van het nieuws en ingenomen standpunten door de Bossche kranten is niet onderzocht.
Niet alleen voor werk trokken mensen naar de stad. ’s-Hertogenbosch blijkt de eeuwendoor ook een magneet voor de vreemdeling die de stad verkoos om op bedevaart te gaan en daarbij gebruik maakte van recreatieve voorzieningen. Een vereniging die ‘het vreemdelingenverkeer’ stimuleerde, liet nog lang op zich wachten. Na de tweede wereldoorlog kan gesproken worden over een toeristenindustrie. ’s-Hertogenbosch en de toerist lijkt een fascinerend voorwerp van onderzoek. Waarom en waardoor werd de stad zo aantrekkelijk voor de toerist? Een lange geschiedenis die het bestuderen waard is. Wie voer en vaart er wel bij de toerist?
Materiële cultuur
Voor onderzoek naar de materiële cultuur biedt het Notarieel Archief talloze mogelijkheden. Met de ontsluiting van onderdelen die betrekking hebben op het roerend goed – boedels en openbare verkopingen -van Bosschenaren in de vroegmoderne tijd is een belangrijke stap gezet voor onderzoek naar kennis van het bezit van Bosschenaren uit de elite en de middengroepen. Veerle de Laet geeft in haar Leuvense licentiaatverhandeling over het schilderijenbezit in Den Bosch in de 17e en 18e eeuw (2004) een uitstekende voorzet om andere aspecten van de materiële cultuur aan een onderzoek onderwerpen. Zoals opgemerkt is het onderzoek van drs. Strengers-Oldenkate over lezen in ’s-Hertogenbosch niet uitgemond in een dissertatie. Haar bevindingen zijn wel in een aantal artikelen neergelegd. De thans ontsloten boedels uit de notariële protocollen kunnen een aanzet zijn voor een nieuwe studie naar het leesgedrag. De boedelinventarissen bieden overigens talloze andere mogelijkheden tot studie.
Als een voorloper van het huidige Noordbrabants Museum is de Bossche Rariteitenkamer te beschouwen. Deze was in de achttiende eeuw in de Vughterbinnenpoort gevestigd. Over dit ‘museum’ verschenen enkele kleine artikelen. De geschiedenis van ‘oudheidkamers’ in de dorpen en die van het Noordbrabants Museum is niet geschreven.

